Ontwikkelingen in het laboratorium

Er gebeurt momenteel veel op het gebied van het tau-eiwit. Het tau-eiwit speelt een belangrijke rol in de hersenen bij de overdracht van signalen. Bij een grote groep van mensen met FTD is het samenklonteren van tau-eiwitten de oorzaak van het afsterven van de hersenen. Tau speelt ook een belangrijke rol bij Alzheimer en bij CTE. CTE is een degeneratieve hersenaandoening waarvan men vermoedt dat het wordt veroorzaakt door meervoudige hersenschuddingen. Onderzoek naar deze aandoeningen is daarom ook relevant in veel gevallen.

Drie voorbeelden die interessant zijn:

  1. Het medicijn LMTX® (TauRx) is voor de tweede keer door fase 3 van toelatingsproces gegaan en succesvol afgerond. Van dit medicijn wordt verwacht dat het de samenklonteringen van onder andere tau-eiwit kan afbreken. Het lijkt er op dat dit medicijn bij beginnende Alzheimer in een lage dosis een positief effect heeft. Andere studies wijzen uit dat de combinatie met andere medicijnen nog wel uitgezocht moet worden.

  2. Er wordt onderzocht of men met een tracer* genaamd FDDNP de samenklontering van tau-eiwit kan aantonen. Dit wordt ook onderzocht voor FTD patiënten. In Amerika is nu voor het eerst klontering aangetoond bij een levend iemand met CTE. Dit zou de diagnose van CTE, en daarna dus voor bepaalde vormen van FTD makkelijker gaan maken.

  3. In Zweden hebben wetenschappers ontdekt dat een bestaande tracer* aangepast kan worden zodat hij aan tau-eiwit bind. "Dit biedt mogelijkheden voor een betere diagnose van tau-gerelateerde hersenziektes", aldus de onderzoekers.

 

Artikelen online
http://markets.businessinsider.com/news/stocks/Second-Phase-3-Study-Results-for-LMTX-Published-in-the-Journal-of-Alzheimer-s-Disease-1009621775

https://labiotech.eu/alzheimers-disease-phase-iii-uk/

https://www.sporttechie.com/scientists-claim-confirm-cte-first-living-person/

 

tracer: een stof die gebruikt wordt om andere speciefieke stof zichtbaar te maken en te volgen ("trace" is letterlijk "volgen" in het Engels). De stof, de tracer, heeft dus altijd twee kenmerken. Ten eerste is het (relatief) eenvoudig zichtbaar te maken, ze zijn makkelijk herkenbaar op bijvoorbeeld een scan. Ten tweede kunnen ze zich tijdelijk vasthouden aan de doel stof en alleen aan die stof. Zo kan bijvoorbeeld glucose radioactief gemaakt worden. Hierdoor kunnen artsen met een PET scan zien hoeveel opname van glucose in verschillende hersengebieden plaatsvindt.